|
| |||
Jan Arends | |||
![]() | |||
| Dichter Gedicht Locatie Sinds Let op Mei 2009 is het opnieuw aangebracht. | |||
Naamloos Ik schrijf gedichten als dunne bomen. Wie kan zo mager praten met de taal als ik? Misschien is mijn vader gierig geweest met het zaad. Ik heb hem nooit gekend die man. Ik heb nooit een echt woord gehoord of het deed pijn. Om pijn te schrijven heb je weinig woorden nodig. (Uit: Lunchpauzegedichten, uitgever De Bezige Bij, 1974) | |||
Uitgezocht door:
| |||
De kracht van het woordVan Bertus Aafjes tot Joost Zwagerman hebben tal van schrijvers zich bezondigd aan de reclame. Tegenwoordig biedt deelname aan een Sterspotje louter extra luxe, maar eertijds werkten vooral dichters als copywriter om de schoorsteen te laten roken. Schrijven als ambacht, dat had ook voordelen. In de reclame kon je net na de oorlog al relatief makkelijk geld verdienen. Bovendien was het schrijven van reclameteksten een goede leerschool voor de literatuur. Hans Sleutelaar, die in de jaren vijftig in Rotterdam bij Lintas, het reclamebureau van Unilever, werkte, zei het zo: „Voor onze literaire ontwikkeling is het ook belangrijk geweest. We leerden er economisch te schrijven; zo overtuigend mogelijk zijn met een minimum aan woorden. Er gelden simpele wetten in copywriting: korte zinnen, korte kopregels, recht op je doel afgaan. Je ontdekt hoeveel macht het woord kan hebben." Niet iedere schrijver of dichter was geschikt voor de reclame. Iemand die wel gevoelig was voor de kracht van het woord, was Jan Arends. Psychiatrisch patiënt, dichter, huisknecht en copywriter. Hij schreef, zoals hij zei, reclameteksten met de achterkant van zijn potlood. In Amsterdam werkte hij korte tijd voor Prad. Maar 'de lucht' beviel hem er niet. Liever zat hij in het café of op het terras van Reijnders of Eijlders. Ook op het hoofdkantoor van reclamebureau Nijgh & Van Ditmar, in het Groothandelsgebouw in Rotterdam, hield Arends het niet lang uit. De enige tekst die hij er in de wintermaanden van 1955 uit zijn mouw schudde was: `Het gaat beter in bed met Jansen & Tilanus'. Met veel gevoel voor zelfspot vertelde Arends er altijd graag bij dat deze slagzin het begin was van de moderne reclame. Arends zag de reclame aanvankelijk als een soort artistieke grap: „Tot ik merkte dat er een hele industrie achter zat." Van Nijgh verkaste Arends naar Reclame Adviesbureau Bouman in Leeuwarden. Bouman was in die tijd een van de weinige erkende advertentiebureaus. Behalve in Leeuwarden had het bureau ook kantoren in Amsterdam, van waaruit het contact met de cliënten in het zuiden werd onderhouden. Leeuwarden gold als uitvalsbasis voor het noorden. Daar konden ze nog wel een copywriter gebruiken. Dat werd Jan Arends. Janneke de jong werkte in die tijd bij Bouman als secretaresse. Na er 42 jaar in dienst te zijn geweest, nam zij als directie-assistente afscheid van het bedrijf met medeneming van een fotoalbum dat zij uit een vuilcontainer viste. In dit fotoalbum staan twee prachtige zwartwit foto's waarop Jan Arends als een keurige reclameman in streepjespak met andere mannen een glas champagne staat te drinken. Janneke de Jong: „Arends was er bij toen we naar de Spanjaardlaan verhuisden. Hij stonk nogal. Daarom hadden we gezegd dat hij alleen mocht komen als hij zich goed zou wassen en er goedgekleed uitzag, want alle belangrijke klanten zouden komen." Op de foto heffen vier mannen het glas: Directeur Johannes Severijn (Joop) Bouman, Wim Post van Workum, account executive; Jan Punter, traffic manager, en Jan Arends, die zich in dit gezelschap bijzonder lijkt te vermaken. De Jong: „Hij had toen al een paar glazen champagne op. Dan kwam hij los. Zo mooi hebben we hem nog nooit op de foto gehad. Hij wou er ook nooit op." Op het torentje van het voormalige Bouman-pand prijkt een haan. Want de morgenstond had goud in de mond, luidde het devies van Bouman. Dat gold echter niet voor Arends. Je moest hem met rust laten en je niet bemoeien met zijn werktijden. De Jong: „Ik vond Arends een zielig schuw vogeltje. Maar hij schreef wel goeie advertentieteksten en ze waren op tijd af." Voor zijn doen heeft Jan Arends het lang uitgehouden in Leeuwarden. Het bestaan als copywriter wisselde hij voortdurend af met zijn andere passie: het huisknechtschap. Het liefst diende hij bij rijke „ordinaire wijven" zoals hij zijn meesteressen in hogere kringen noemde. Een enkele keer solliciteerde hij - uit opportunisme - bij een 'kerel'. Had hij tenminste een dak boven zijn hoofd. Zo belandde hij in België in een kasteel van een graaf die vaak van huis was. Daar schreef hij het toneelstuk Smeer of de weldoener des vaderlands, een parodie op de reclamewereld. Het verwijst niet alleen naar de toenmalige Planta-affaire, de smeerbare margarine die jeuk veroorzaakte, het vertelt ook iets over Arends en de reclame als leerschool voor de literatuur. In het stuk zegt 'geldmaker' tegen 'copywriter' die dichter is, dat hij betere gedichten schrijft sinds hij in de reclame werkzaam is: „Dankzij de reclame kreeg jouw stem bij het stamelen en schreeuwen, plotseling een volume dat sterk genoeg was om het gebrul van veel andere experimentele dichters te overstemmen." Vreemd, maar waar, zegt de copywriter: „Als ik een goede reclametekst geschreven heb dan schrijf ik er meestal een goed gedicht achteraan." In de slipstream van de reclame schreef Arends poëzie met de economische zuinigheid van postzegeladvertenties. Niemand kon zo mager praten met de taal als hij. De copywriter in dienst van de dichter: 'Om pijn / te schrijven / heb je / weinig woorden / nodig.' De kracht van het woord, zoals Sleutelaar het noemde. (Nico Keuning op de achterpagina van het NRC Handelsblad van 28 juli 2002) | |||
Gedenksteen voor Jan Arends
|
|||
| Herstel Een aantal van de muurgedichten wordt geleidelijk aan hersteld. En bij Jan Willem Bruins betekent dat meestal een compleet nieuwe uitvoering. Zo ook in dit geval. Dit muurgedicht is in mei 2009 opnieuw aangebracht. Hieronder de situatie voor de verwijdering in 2005 en nu:
|
|||
| Links : | |||
|
| |||