Terug Home Opvolgend muurgedicht
Bookmark and Share

Marinus van der Lubbe , O, Arbeid

Marinus van der Lubbe, O Arbeid

Bij de onthulling werd het muurgedicht nog niet door tralies, maar slechts door gaas beschermd tegen voetballende jongetjes. Zie foto bij krantenartikel hieronder.


Dichter: Marinus van der Lubbe, Nederland, Leiden 13 januari 1909 – Leipzig 10 januari 1934
Gedicht: O, Arbeid
Locatie: Marinus van der Lubbehofje 1, Leiden
Sinds: 11 september 1998 (nummer 62)


Nederlands
O, Arbeid

Niet de partijen
Niet de stellingen
Niet de woorden
Niet het zijn

Leven of sterven
Winnen of verliezen
Het is alles een
Recht of waarheid
Blijft alles het zelfde
Zonder arbeid is er geen

Arbeid alleen kost al dit leven
Leven is dus arbeid alleen.

(Brief uit de gevangenis te Berlijn, 7 april 1933)


Op

Bonbons in de vorm van aanmaakblokjes

Begin Van der Lubbe-manifestatie in Leiden

Marinus van der Lubbe staat 11 september in Leiden centraal tijdens de manifestatie 'De pet van Rinus, I'. De organisatoren willen hiermee geld bijeenbrengen voor een driedelig kunstwerk ter ere van de Leidse metselaar, die in 1934 in Leipzig zijn hoofd verloor onder de valbijl na te zijn veroordeeld voor brandstichting in het gebouw van de Duitse Rijksdag. De manifestatie krijgt een landelijk karakter. Ook Den Haag, Amsterdam, Eindhoven, Enschede en Den Bosch doen mee aan 'De pet van Rinus'.

In de kelder van het Gravensteen in Leiden wordt op 11 september om half vijf een installatie onthuld van het kunstenaarsduo Sluik-Kurpershoek. Daarbij komt het thema schuldonschuld aan de orde. In het Leidse Van der Lubbehofje wordt daarna met zwier het laken voor Van der Lubbe's gedicht 'O, Arbeid' weggetrokken. Leidenaar Ben Walenkamp en Carola van der Heyden van de stichting Tegenbeeld zijn twee van de drijvende krachten achter de manifestatie, net als de stichting 'Een graf voor Van der Lubbe'. Walenkamp: "Het wordt prachtig, echt waar! Allemaal van bom-bom achter de grote trom. 's Middags trekken we vanaf het Pieterskerkhof achter een muziekkorps of een drumband aan naar het Van der Lubbehofje. Allemaal heel plechtig dus. Er zijn twee gedichten van Marinus bekend: een in het Duits en een in het Nederlands. Dat Nederlandse gedicht komt op een van de muren in het Van der Lubbehofje te staan en zal die avond worden onthuld. Op de plek waar het komt bevindt zich nu nog gaas. Dat wordt weggehaald maar zal naderhand weer keurig over het gedicht heen worden gespannen. Die symboliek zien we wel zitten, ja." "Het gedicht heet 'O, Arbeid'. Van der Lubbe stuurde het op 7 april 1933 aan een vriend in Leiden. De tekst luidt als volgt: ' Niet de partijen/Leven of sterven./Niet de stellingen/Winnen of verliezen./Niet de woorden/Het is alles een./Niet het zijn/Recht of waarheid/Blijf alles het zelfde./Zonder arbeid is er geen.'"

"Nadat het vers aan den volke is getoond zal het koor 'De Stem des Volks' uit Leiden een aantal socialistische liederen ten gehore brengen. Daarna trekken we naar het Volkshuis aan de Apothekersdijk, waar belangstellenden kunnen smullen van een speciale Van der Lubbe-maaltijd: hutspot met Tsjechische kip. En zoals Salzburg zijn Mozartkugeln heeft, krijgt Leiden op die dag zijn vurige Van der Lubbe-bonbons. Bonbons in de vorm van aanmaakblokjes. Afsluitend is er een discussie over Van der Lubbe. Met de stelling: 'Van der Lubbe als grenzenloze Europeaan'."

"Waarom ik dit allemaal doe? Tja, ik voel wel enige verwantschap met Van der Lubbe. Dat anarchistische van hem bevalt me wel. Vroeger was ik nogal fel, maar nee, nu zou ik het stadhuis toch niet meer zo gauw in brand steken. Je wordt ouder en hoeft jezelf niet meer zo te laten gelden; ik kijk 's morgens één keer in de spiegel en bah, dan heb ik het wel gezien. Maar voor zo'n manifestatie over Van der Lubbe krijg je me wel mee. Blaaskaken zijn er hier genoeg, maar we moeten in Leiden meer trots zijn op de eenvoudige jongens."

(Cees van Hoore in het Leidsch Dagblad van 8 augustus 1998)


Op

'We zijn hier voor een bijzonder mens'

Een droef ritme trekt door de stad. Twee jonge trommelaars slaan op djembé en leiden een lange stoet voetgangers langs de Leidse grachten. Hun bestemming is het Van der Lubbehofje aan de Middelstegracht. Daar wordt het 62ste muurgedicht getoond: 'O, Arbeid' van de Leidse metselaar Marinus van der Lubbe (1909-1934) die in 1933, uit protest tegen Hitler's machtstoename, de Berlijnse Rijksdag in brand stak.

Vereniging 'Stem des Volks' zingt de 'Internationale'. Kramp jaagt door de handen van de percussionisten en zo vreemd is dat niet. Zij begonnen hun plechtige spel al vóór het Gravensteen. Daar opende burgemeester Cees Goekoop gistermiddag de 'Pet van Rinus 1'.

"Wij zijn hier voor een bijzonder mens. Een Einzelgänger, die helemaal vanuit zichzelf streed en constant in aanraking kwam met het gezag. De burgemeester van toen was geen vriend van hem", zo begint Goekoop het Marinusjaar. In de kelder aan Het Gerecht bekijken de vele geďnteresseerden het kunstwerk dat Ron Sluik en Reinier Kurpershoek vervaardigden. Vier monitoren vertonen het intacte parlementsgebouw, op de koude grond ervoor ligt een stapeltje turf en helemaal vooraan bedekken acht doorzichtige platen bedden van as.

In het Volkshuis wordt 'Marinus' lievelingsmaal' opgediend. Vooraf wat schuurpapier met een bolletje nootmuskaat dat je kunt opsnuiven als een drug, daarna een stevige Leidse stamppot. In een afrondende forumdiscussie doen wethouder Jan Laurier, biograaf Martin Schouten en kunstenaar Sluik hun zegje over een stelling als: ,,Moet Van der Lubbe een herbegrafenis in Leiden krijgen of niet?"

Sluik hierover: ,,Als je hem uit Leipzig weghaalt, is Duitsland een luis uit zijn pels kwijt." Als de nabestaanden hem ook met rust willen laten, zal dat zo'n vaart niet lopen. Deze geslaagde 'Leidse manifestatie' probeerde in elk geval een bijgesteld beeld te schetsen van een legende die in de Morsstraat werd geboren.

(Sabine van den Berg in het Leidsch Dagblad van 12 september 1998)


Op

Wie was ...Marinus van der Lubbe

Cor Smit

Van der LubbeOp 27 februari 1933 woedde in de Rijksdag te Berlijn een brand. Ze was aangestoken en in het brandende gebouw werd een jonge Nederlander gearresteerd, de 24-jarige Leidenaar Marinus van der Lubbe. De nationaal-socialisten, die enige weken eerder deel van de nieuwe Duitse regering uit waren gaan maken, met Hitler als kanselier, grepen de brand aan om direkt kommunisten, socialisten en andere anti-nazi's op te pakken. Het was een kommunisties komplot, een revolutie-poging, riepen zij. Nee, verklaarden de kommunisten in een in augustus 1933 uitgegeven Bruinboek, die Van der Lubbe maakte deel uit van een komplot van de SA (de knokploeg van de nazi's), het was een fascistiese agent. Marinus van der Lubbe werd 10 januari 1934, drie dagen voor hij 25 jaar werd, onthoofd. Hij was het eerste Nederlandse slachtoffer van de nazi's. Hij was ook de eerste geweest, die eigenhandig iets tegen die nazi's had willen doen.

De Rijksdagbrand en de persoon Marinus van der Lubbe zijn altijd onderwerp van felle diskussies geweest. Was hij een pion in een kommunisties of juist een fascisties komplot of had hij het in z'n eentje gedaan? Was hij er zelfs wel bij betrokken geweest? Marinus van der Lubbe is na zijn dood nog vaak vermoord, karaktermoord wel te verstaan: zwart gemaakt en belasterd, of zo witgewassen dat de boodschap die hij zo belangrijk vond ook als een vlekje weggewerkt werd. Van der Lubbe heeft altijd volgehouden dat hij de Rijksdag zelf in brand gestoken had, in z'n eentje. De redenen die hij daarvoor gaf, waren duidelijk: hij wilde de Duitse arbeidersklasse een signaal geven, ze opwekken tot revolutie. Verzet tegen de nieuwe Hitler-regering was geboden, omdat deze de arbeiders onderdrukte en uiteindelijk Duitsland de oorlog in zou leiden. De arbeiders zouden zelf handelen en hun leiders, die alleen aan hun eigen belangen dachten, passeren. De revolutie zou immers het werk van het proletariaat zelf zijn.

Leidse herinnering

Er is geen enkele reden te twijfelen aan zijn verklaring. Het past geheel en al bij zijn korte, roerige leven. In Leiden weten de ouderen nog steeds verhalen over hem te vertellen. Hoe hij met een rode vlag voorop ging in werklozendemonstraties en, wanneer de politie deze afgenomen had, een nieuwe tevoorschijn haalde vanonder zijn jas. Hoe hij in de lantarenpaal klom om de arbeiders van de konservenfabriek toe te spreken en tot staking over te halen. De demonstratieve viswedstrijd in het statige Rapenburg, tegenover het huis van de burgemeester, die hij organiseerde omdat een echte demonstratie verboden was, maar die alsnog door de politie met de blanke sabel uiteen werd geslagen. Hoe de politie hem op een kar gooide om naar het buro over te brengen, maar dat hij de wielen beetgreep en dat hij zo de wagen stilhield.

Van der LubbeMarinus van der Lubbe is op 13 januari 1909 in Leiden geboren. Het gezin met zeven kinderen leefde in armoede. In 1912 vertrok het gezin richting Brabant (waar moeder vandaan kwam) om zich in 1914 in Sprang bij Breda te vestigen. Vader vertrok in 1916, moeder overleed, kapot gewerkt, in 1921, 51 jaar oud. Rinus kreeg onderdak bij zijn oudste zus, die in Oegstgeest bij Leiden woonde. Na nog anderhalf jaar naar school te zijn gegaan ging hij werken als leerling-metselaar. In 1927 werd hij lid van de Communistische Jeugdbond De Zaaier, afdeling Leiden. Dat leverde hem thuis ruzie op en hij verliet het huis van zijn zus om in Leiden op kamers te gaan wonen. In hetzelfde jaar kreeg hij bij zijn werk op de bouw twee keer kalk in zijn ogen. Ondanks een oogoperatie kon hij sindsdien slecht zien en vanaf 1928 moest hij proberen met allerhande baantjes en klusjes in leven te blijven: een invaliditeitsuitkering van f 6,44 per week was immers veel te weinig om van te leven. Leiden was een grauwe fabrieksstad, met een grotendeels verpauperde arbeidersbevolking. Textiel-, konserven- en metaalbedrijven boden de meeste werkgelegenheid, voor zo ver er werk te vinden was. Hoewel de socialistiese beweging er betrekkelijk laat van de grond was gekomen, was deze behoorlijk gegroeid, maar ook behoorlijk verdeeld. Zoals ook elders bestonden er elkaar heftig bestrijdende socialistiese, kommunistiese en anarchistiese groepen. Onderlinge botsingen waren er legio. Botsingen met de politie nog meer.

Rinus was aktief in De Zaaier, kolporteerde De Jonge Kommunist en vocht met de politie. Maar hij vormde ook een eigen klubje jongeren, de pioniersgroep Lenin. Hij probeerde hen de beginselen van het marxisme bij te brengen, waarbij hij zelf hen maar net een stapje voor was. Jan Knuttel, kommunisties raadslid en werkzaam bij de universiteit, werd ingeschakeld voor de moeilijke stof. In de zomer van 1929 werd Rinus voorzitter van De Zaaier in Leiden, en wist deze teruglopende club voor kort weer tot bloei te brengen. Hij ging een eigen krantje uitgeven in Leiden, De Roode Werker. In de volgende jaren zette hij zich ook steeds meer in bij werklozenakties, werd in elkaar geslagen door de politie, in de gevangenis gegooid. Hij werd in Leiden 'de bekende Van der Lubbe'.

Rinus was in deze tijd lid van de Communistische Partij Holland, de CPH. Een aantal van zijn vrienden waren dat inmiddels niet meer. Een van zijn pleisterplaatsen in Leiden was een huisje aan de Uiterste Gracht, waar de sterrekunde-student Piet van Albada woonde. Op zijn kamer vertoefde Rinus veel, daar kwam de pioniersgroep in het begin ook bij elkaar. Maar bij velen, waaronder Piet, rezen er grote twijfels over de ontwikkelingen in Rusland: de oktoberrevolutie was verraden, de diktatuur van de partij had zich gevestigd. Piet en ook andere bekenden van Rinus gingen over naar de Groepen van Internationale Communisten, die zich schaarden achter de aloude leuze 'Alle macht aan de arbeidersraden' en die het idee van de voorhoedepartij verwierpen. Rinus brak pas in april 1931 met de CPH. Hij wilde met een vriend, Henk Holwerda, zelf eens gaan kijken in Rusland. Om de voetreis te bekostigen lieten ze ansichtkaarten drukken. Na een meningsverschil hierover met de partij, bedankte Rinus voor het lidmaatschap.

Op reis

Ze vertrokken richting Sovjet-Unie, maar Holwerda haakte al snel af, en Rinus kwam niet verder dan Berlijn. Daar raakte hij onder de indruk van de revolutionaire gezindheid van de Duitse arbeiders. Vervolgens ging hij naar Calais, waar hij trainde om als eerste Nederlander het Kanaal over te zwemmen. Het blad 'Het Leven' had daarvoor 5000 gulden uitgeloofd en Rinus wilde dat geld gebruiken voor allerlei sociale projekten. Helaas mislukte de poging omdat het weer te slecht was. Vervolgens trok hij lopend en liftend door Duitsland, Oostenrijk, Joegoslavië en Hongarije. Toen hij in november 1931 terugkwam in Nederland, bezocht hij de Twentse textielarbeiders, die zojuist een grote staking waren begonnen tegen loonsverlaging. Hij was bijzonder onder de indruk van het feit dat deze zélf met hun strijd waren begonnen, en zo de bonden hadden gedwongen mee te doen.

Terug in Leiden probeerde hij geld te lenen van de Bank van Lening en het Maatschappelijk Hulpbetoon om een uitleenbibliotheek en vergaderzaal voor arbeiders te beginnen. Dat geld kreeg hij niet, waarop hij de ruiten bij het Maatschappelijk Hulpbetoon insloeg. Weer trok hij naar het oosten, en werd in Polen gegrepen toen hij illegaal de Russiese grens probeerde over te steken. Via Tjechoslowakije keerde hij terug, om eerst enige tijd in de gevangenis door te brengen vanwege de ingegooide ruiten.

Van der LubbeRinus had zich ondertussen niet aangesloten bij de Groepen van Internationale Communisten. Die waren wat al te theoreties voor hem. Hij werd lid van de Linkse Arbeiders Oppositie, een afsplitsing van een trotskistiese groep. Zij gaven het blad Spartacus uit. Via deze Spartacusgroep bezocht hij ook de staking van de Haagse taxichauffeurs in 1932. Ook had hij zijn ideaal van een vergaderzaal voor kursussen, scholing etc. niet opgegeven. Hij begon er een in een pakhuisje in Leiden. Ook gaf hij weer een werklozenkrant uit. "Maar nu vooruit, zelf handelend werken", schreef hij, en er kwamen zo'n 150 werklozen naar zijn pakhuis. Hij wilde geen leiders, de arbeiders moesten het zelf zeggen, dus er werd geen toespraak gehouden. Maar uiteindelijk zeiden de arbeiders niets en legden maar een kaartje.

Hij vroeg weer een lening van het Maatschappelijk Hulpbetoon en dit keer gooide hij geen ruiten in toen deze geweigerd werd, maar ging in hongerstaking. Na bijna twee weken belandde hij in het ziekenhuis. Toen hij hersteld was, kreeg hij wat spulletjes via het zogenaamde Brokkenhuis. Het was ondertussen november 1932. In januari 1933 ging hij weer het ziekenhuis in, nu voor een oogoperatie.

Toen hij net het ziekenhuis verlaten had, kwam het nieuws dat Hitler kanselier was geworden. In de eerste dagen daarna kwam het in Duitsland tot botsingen en stakingen: voor velen leek het land weer op de rand van de revolutie te staan. Rinus zou Rinus niet zijn geweest, als hij daar niet bij had willen zijn. Hij vertrok naar Berlijn. Maar daar viel het bitter tegen. De stakingen waren voorbij, de stemming was verre van revolutionair, eerder geslagen. Zwervend door de arbeiderswijken van Berlijn rijpte bij Rinus het plan: er moest een signaal gegeven worden, dan zouden de arbeiders massaal op staan. Na enige mislukte pogingen in andere gebouwen, sloop hij 27 februari de Rijksdag in met een doos lucifers ...

De Rijksdag brandde, maar de Duitse arbeiders kwamen niet in opstand. De nazi's vervroegden hun plannen om de totale macht te grijpen en noemden het een kommunisties komplot. Zijn vroegere kommunistiese kameraden noemden hem een provokateur, beweerden dat hij voor de SA had gewerkt. Op het proces moest hij zich niet alleen verweren tegen de nazi-rechters, maar ook tegen zijn mede-beklaagden, waaronder de bekende Kominternleider Dimitrov. Hij heeft weinig gezegd. Hij weigerde aan het proces mee te werken, vanaf het moment dat hij merkte waarvoor men hem wilde gebruiken. Eén keer hief hij zijn hoofd op, het waren direkt krantenkoppen. Eén keer probeerde hij alle verzinsels en laster te bestrijden. Tevergeefs.

De andere beklaagden, allen kommunisten, werden vrijgesproken: er viel niets over hun betrokkenheid te bewijzen. Rinus werd ter dood veroordeeld, en het leven van de strijdbare Leidse arbeidersjongen eindigde onder de guillotine in Berlijn. Jarenlang bleef de laster van kommunistiese kant komen. Anderen daarentegen meenden hem te moeten beschermen door te beweren dat hij het nooit gedaan kon hebben: hij had toch van die slechte ogen. Slechts zijn politieke vrienden wisten waarom hij het gedaan had, maar naar hen werd niet geluisterd.

(Uit: | Grenzeloos nummer 3 | bestand: LUBBE16 |)

Cor Smit is historicus en lid van Groen Links. Veel uit dit artikel is ontleend aan Martin Schouten, Rinus van der Lubbe, 1909-1934, De Bezige Bij, Amsterdam 1986, dat behalve zijn voortreffelijk geschreven levensverhaal ook het dagboek en de brieven van Rinus zelf bevat.


Op

Honderste geboortedag Marinus van der Lubbe

Marinus van der Lubbe door Gert Germeraad op de tentoonstelling van De Lakenhal in Scheltema

Marinus van der Lubbe door
Gert Germeraad op de tentoonstelling
van De Lakenhal in Scheltema

Marinus van der Lubbe werd dinsdag honderd jaar geleden in Leiden geboren. De communist kwam ellendig aan zijn einde. Op 10 januari 1934 werd hij, net voor zijn 25e verjaardag, in Leipzig onthoofd. Hij had volgens de Duitsers op 27 februari 1933 het gebouw van de Rijksdag in Berlijn in brand gestoken. Van der Lubbe was een vrij bekende Leidenaar. Hij hield geregeld spontaan toespraken in de stad, bijvoorbeeld bij het uitgaan van fabrieken, om mensen op te roepen tot revolutie. Het is nog steeds niet duidelijk of de warrige, impulsieve wereldverbeteraar de brand werkelijk heeft gesticht. Begin vorig jaar vernietigde de Duitse justitie het vonnis.

Zaterdag was het 75 jaar geleden dat Van der Lubbe ter dood werd gebracht. Een groep Leidenaren heeft opgeroepen bloemen te leggen bij de gedenksteen die voor hem is aangebracht bij de Morschpoort in Leiden. In het Scheltemacomplex is een tentoonstelling rond Van der Lubbe ingericht met als titel De Tegenstander.

(
De Telegraaf van dinsdag 13 januari 2009, 06:21)


Op

Links    :

Op Terug Home Opvolgend muurgedicht