|
| |
Lucebert (ps. L.J. Swaanswijk) , Poëzie is kinderspel | |
![]() | |
| Dichter Gedicht Locatie Sinds | |
Poëzie is kinderspel Over het krakende ei dwaalt een hemelse bode op zoek naar zijn antipode en dat zijt gij mogelijk dat men op zulk een kleine schaal niet denken kan het maakt nijdig of men is verveeld dus veel te veilig dan is men verloren voor de poëzie u rest slechts een troost ligt gij op sterven gij verveelt u dan ook niet en plotseling kan dan pop en bal laat herinnerd u laten weten dit was ik en dat was het heelal | |
Gerrit Komrij over 'poëzie is kinderspel'Poëzie is kinderspel heet dit gedicht van Lucebert. Wat wil hij daarmee zeggen? Dat poëzie iets doodeenvoudigs is, in de trant van: je draait je hand er niet voor om? Of dat we voor het spel dat poëzie heet letterlijk een kind moeten worden? Of iets van allebei? Vragen zijn, als altijd in de poëzie, interessanter dan antwoorden. Als je alles in de poëzie kon uitleggen was ze overbodig. Dan zouden we de dichters en dichtbundels kunnen afschaffen. Dat mag deze of gene een mooi vooruitzicht lijken. Maar wat te zeggen van een bestaan met uitleggers en uitlegbundels? Van de eerste vier regels van dit gedicht gaat een optimale, beeldschone raadselachtigheid uit - over het krakende ei dwaalt een hemelse bode op zoek naar zijn antipode en dat zijt gij - daar kan een mijmeraar urenlang op teren. Wellustig stapelen de vragen zich op. Wie zijn ei, bode, antipode, gij? Het ei is een oerbeginsel. Dat 'hemelse' is ook niet mis. De dichter praat hier niet over koetjes en kalfjes. Hier is zonder meer iets metafysisch gaande. De hemel boven de aarde, god boven de mensen, troost en hoop boven het verval - alles kan en mag. Het ei dat kraakt, het kan het wonder van de schepping betekenen. Het kan ook op de onvolmaakte wereldbol slaan. Zwelling of craquelé. Geboorte of dood. De hemelse bode, wakend over het leven, is kennelijk niet tevreden, anders was hij niet dwalende en op zoek naar zijn antipode. Hier wordt gestreefd naar versmelting. Het woord antipode bevestigt dat dit een gedicht gaat worden over tegenstellingen, over begrippenparen. Ei en hemel, gekraak en boodschap: het krakende ei en de hemelse bode verwijzen kruiselings naar elkaar. Een krakend ei suggereert geboorte. Maar als de tegenstelling tot de hemelse bode stand wil houden suggereert het ook het einde. Geboorte en sterven zijn 'twee emmers van dezelfde waterdrager', om een andere dichter te citeren. Ze blijven naar elkaar op zoek, zoals de bode naar zijn antipode -en dat zijt gij - gaat Lucebert hier ineens pedant en quasi-deftig doen met zijn 'zijt' en 'gij'? Geen moment vermoeden we zoiets. Het moet hier een spreuk betreffen. Een versteende uitdrukking. Het is dan ook een uitdrukking uit de leer van het brahmanisme. 'K ben Brahman. Maar we zitten zonder meid dichtte Dèr Mouw al, daarmee pijnlijk de aardse resten benadrukkend die kleven aan de brahmaan voor wie alle tegenstellingen zijn opgeheven. Als dichter noemde Dèr Mouw zich Adwaita, 'tweeheidsloos' - Je weet: Niets kan mij deren; ik ben Hij. Tot zekerheid je twijfel opgeheven, zo hang je als eeuwig boven je eigen leven: je bent de wolken en je bent de hei - regels die ons van pas komen bij dit gedicht van Lucebert. Poëzie kan soms iets verklaren van andere poëzie. 'Dat ben jij' was een van de motto's die Adwaita aan zijn eerste bundel meegaf.Tat twam Asi, in het Sanskriet. Alles is vervuld met het eeuwige en gij zijt een deel van het eeuwige. Raadsels zijn nog geen vaagheden. Er is wel iets duidelijk in dit gedicht van Lucebert. Duidelijk is dat het in het teken staat van de eenheid van tegenstellingen, de harmonie der tegendelen, de opheffing van het dualisme, hoe je het ook wilt noemen. Duidelijk is verder: dit is een gedicht over poëzie - dan is men verloren voor de poëzie - het staat er zonneklaar en onheilspellend. Wie verloren is voor de poëzie is verloren voor het kinderspel. Op een kleine schaal denken (eierschaal!), nijdig en verveeld zijn, afgunstig en onverschillig, want veel te tevreden en veilig - allemaal kenmerken van de verdoemenis. Duidelijk. Niet elk woord in dit gedicht hoeft daarna op een goudschaaltje te worden gelegd. Het is voldoende je intuïtief te laten meeslepen door het spel van de tegenstellingen. Beter 'laat herinnerd' dan nooit. Maar laat u zich niet afleiden door die associatieve spelletjes met ei en schaal, met laat en laten. De dood - waaraan ook zij die zich doodvervelen niet ontkomen - herinnert ons aan de geboorte, aan de pop en de bal. De sterfelijkheid herinnert aan het scheppende beginsel, het spel. Het sterfbed herinnert aan het kind. De bal aan de aardbol, de eeuwigheid aan de kleinschaligheid, de hemelse bode aan de antipode aan het heelal en aan ik. Aan dit en aan dat. Bleek de scheiding te groot of ontstond er iets van harmonie? Vragen die tot het terrein van de poëzie behoren. Tot het kinderspel.Verbeeld ik het me of klinkt de slotregel dit was ik en dat was het heelal inderdaad als een aftelrijmpje, zo'n beetje als hoeperdepoep zat op de stoep? © Gerrit Komrij Eerder verschenen als: 'Poëzie is kinderspel', in: Gerrit Komrij: Trou moet blycken of opnieuw In liefde bloeyende: de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de eenentwintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Amsterdam: Bakker, 2001, p. 17-20. Het citaat 'twee emmers van dezelfde waterdrager' is afkomstig uit het gedicht 'Inisiasie' van de Zuid-Afrikaanse dichter Charl-Pierre Naudé. (Op de website van de Koninklijke Bibliotheek - Nationale bibliotheek van Nederland) | |
| Links : | |
|
| |