Terug Home Opvolgend muurgedicht
Bookmark and Share

Paul Marijnis , Zwarte Zwanen

Marijnis


Dichter: Paul Marijnis, Nederland, 9 september 1946 (Schiedam) - 10 april 2008 (Leiden)
Gedicht: Zwarte Zwanen
Locatie: Hogewoerd 158, Leiden
Sinds: 15 juni 1999 (nummer 68)


Nederlands
Zwarte Zwanen

Een vlugge glimp van witte lingerie
onder roetwolk van rokken: zwarte zwanen
die, gekoppeld in eenzelfde rÍverie,
als kanten schuitjes door de vijver varen:
kokette weduwen die niet om hun doden
blijven treuren - zwart is in de mode.
Eťn kijkt soms even of haar spiegelbeeld
zich onder water net zo erg verveelt.


Op

Eerste levende Leidse dichter 'tegen de muur'

Paul Marijnis tijdens de gedichtenavond in juni 2005 waar hij onder andere zijn gedicht 'Zwarte zwanen' voordroeg.

Paul Marijnis tijdens de gedichtenavond in juni 2005 waar hij onder andere zijn gedicht 'Zwarte zwanen' voordroeg.

Het gedicht 'Zwarte zwanen' van de Leidse dichter Paul Marijnis (54) is gistermiddag officieel ten doop gehouden door de Stichting Tegenbeeld. Het vers van Marijnis, die dit jaar is genomineerd voor de Buddingh'-prijs, is het eerste gedicht van een levende Leidse dichter dat een plek vindt op een van de muren in Leiden. 'Zwarte zwanen' is door decoratieschilder Jan Willem Bruins aangebracht op een blinde muur aan de Hogewoerd, ter hoogte van nummer 158. Leerlingen van 't Visser 't Hooftlyceum hielpen mee om de muur met een stuclaag te bekleden.

Paul Marijnis is, wat de poŽzie betreft, een debutant. Daarom is het des te opmerkelijker dat hij tussen de beroemde buitenlandse en Nederlandse, veelal dode, dichters een plaats heeft gekregen. Ben Walenkamp van de Stichting Tegenbeeld: "Hij is de eerste levende Leidse dichter die we bij de kop hebben genomen. Die nominatie was een mooie aanleiding, maar we vinden zijn gedichten ook goed. Nu het eerste schaap over de dam is, zullen er misschien meerdere Leidse dichters volgen."

In het gedicht vergelijkt Marijnis de zwarte zwanen met 'kokette weduwen die niet om hun doden/blijven treuren zwart is in de mode.' De Leidse dichter heeft er sjieke dames van gemaakt, die niets om handen hebben en in een luxe verveling ronddrijven. Misschien is het in de dood wel veel interessanter? Marijnis besluit het vers met de regels: 'Eťn kijkt soms even of haar spiegelbeeld/zich onder water net zo erg verveelt.'

(Cees van Hoore in het Leidsch Dagblad van 16 juni 1999)


Op

Leids dichter en J.C. Bloemprijs-winnaar Paul Marijnis: ‘PoŽzie is ongevoelig’

Dichter Paul Marijnis (55) won vorige maand de J.C. Bloemprijs, een nieuwe prijs voor de beste tweede dichtbundel. In zijn huis in de Gekroonde Liefdepoort, waar hij samenwoont met zijn kat, vertelt hij over zijn obsessies en zijn wrok.

Paul Marijnis tijdens de gedichtenavond in juni 2005.

Paul Marijnis tijdens de gedichtenavond in juni 2005.

Het eerste dat hij deed toen hij in de jaren zestig Nederlands kwam studeren in Leiden, was een bos witte chrysanten afleveren bij Hogewoerd 63. ‘De vrouw die opendeed was stomverbaasd. Ik vroeg of ze die bloemen in een vaas voor het raam wilde zetten, als hommage aan de dichter Piet Paaltjens, die daar gewoond had. Achteraf gezien is het een aanstellerig gebaar, maar het is beter dan niks.’

Inmiddels is Paul Marijnis 55 jaar, en is hij na een korte journalistieke carriŤre bij NRC Handelsblad en omzwervingen door AziŽ, in Leiden blijven hangen. Ter hoogte van nummer 158 van diezelfde Hogewoerd staat nu een gedicht van Marijnis zelf geschilderd, ‘Zwarte Zwanen’. Net als Paaltjens combineert hij zwaarmoedigheid met lichtvoetigheid. ‘Ik probeer op luchthartige toon zeer akelige mededelingen te doen. Al die grafpakkenkunst vind ik verschrikkelijk. PoŽzie moet ook joyeus zijn.’

Zijn tweede bundel, Roze zoenen, won onlangs de J.C. Bloemprijs, een nieuwe prijs, 2500 euro groot, bestemd voor de beste tweede bundel.

De dichter: ‘Bij het eerste boek ben je nog onbevangen. Als dat een succes wordt, komt dat als een steen op je te rusten, want je moet dat succes overdoen. Ik vind zelf wel dat deze bundel beter is dan mijn eerste (Gillette, 2000, CW). Ik heb er veel sterker in geschrapt. En in het eerste bundeltje gaat niets over mijn eigen brein. In dit boek zitten allerlei beschrijvingen van de vele ontsporingen van de geest. Ik ben labiel. Ik ben eigenlijk zeer depressief, en kan louter bestaan bij de gratie van pillen. Als ik van die moodswings heb, daal ik af in een afdeling waar je liever niet wilt zijn. Dan is alles kwalijk. Ook u met uw interview. Wat doet die man hier? Hij betaalt me niet eens. Iedereen heeft het op mij voorzien. Daarna kom ik weer omhoog en realiseer ik me: ik ben helemaal niet zo belangrijk dat iedereen het op mij voorzien heeft. Mensen zweren samen tegen Caesar, maar niet tegen mij.

‘De stoornissen van de geest zijn van alle tijden. Dat komt omdat de mens eigenlijk niet geschikt voor de wereld. Het leven is eigenlijk te vreselijk voor de mens. Het is niet voor niets dat mensen altijd uitvluchten hebben gezocht uit de nare realiteit: godsdienst, veel drinken, drugs, lid worden van de Ajax-boys. Vandaar dat je die dingen ook nooit en te nimmer kunt uitroeien. Het is die calvinistische achtergrond van Nederland die alles verbiedt. De calvinistische moraal is: werken, en dan niet een cabrio kopen van het geld, nee, je houdt je doodstil in een klein huisje in een klein straatje. Die houding heeft in Nederland het kunstleven verwoest.’

‘Het calvinisme zegt: luister eens, zolang je de Heilige Schrift hebt, wat valt er dan nog te lezen in boeken? Dat kan alleen maar viespeukerij zijn. Van iedere schrijver die zijn kop opstak, werd die kop onmiddellijk afgehakt. De Franse, Engelse, Italiaanse literatuur, ja, dat zijn feestelijke optochten die in de Middeleeuwen beginnen. Een zeer bonte menigte van prinsen tot absolute mafkezen die zeer veel leden telt en in het heden doorgaat. Maar in Nederland heb je alleen enkelingen, Slauerhoff, Nijfhoff, Bloem in zijn beste momenten, en Lucebert natuurlijk.’

‘PoŽzie gaat ook niet over sentimenten, dat is een groot misverstand. Sentiment komt er eventueel bij de lezer aan te pas. Je moet niet beginnen met: ik ben zo zielig want mijn man is overleden. Dat kan de lezer niets schelen. Het moet feitelijk zijn. Schijven over de appel op tafel. ‘Mijn zwaard blaast het licht uit’, las ik laatst ergens. Een zwaard dat blaast? Ik wilde bijna opbellen. Dat was mevrouw Anna Enquist.

‘PoŽzie is ongevoelig. PoŽzie handelt in klanken, pauzes, ritmes, zoveel mogelijk betekenissen binnen de betekenissen. En het moet concreet zijn. Over God kun je alles schrijven. Maar een appel, ja, die ligt daar. Beschrijf hem maar eens.’

Paul Marijnis: Roze zoenen. Uitgeverij De Arbeiderspers. 65 blz. € 16,95

(Christiaan Weijts in de Mare nummer 29, 8 mei 2003)


Op

'De kat is een soort superras'

Poezenverhalen van Paul Marijnis in 'Het licht in de kattenbak'

Nogmaals Paul Marijnis tijdens de gedichtenavond in juni 2005.

Nogmaals Paul Marijnis tijdens de gedichtenavond in juni 2005.

'Hoe onnozel is de mens! Sinds hij uit de darwinistische mallemolen stapte, leeft hij in de waan dat hij de heer der schepping is en het recht heeft andere dieren naar welgevallen uit te moorden. Dat hij zelf, compleet met praatjes, allang is onderworpen aan een nog veel superieurder soort, is nog steeds niet doorgedrongen'.

En dat superieurder soort is de kat. Opdat u het weet. Het citaat is afkomstig uit 'Het licht in de kattenbak' van de Leidse schrijver Paul. Marijnis. Het citaat moge duidelijk maken dat dit niet een kattenboek is, zoals vele andere, waarin de kat veelal wordt beschreven als een weliswaar behoorlijk zelfstandig maar toch ook zeker een aanhankelijk schepsel. Nee, dit is een boekje waarin de kat in verschillende verhalen wordt geportretteerd als een zeer intelligent wezen dat er in is geslaagd de mens onder de duim te houden.

"Katten zijn uiterst onsentimenteel. Een heleboel mensen willen dat niet geloven. Maar als ik hier op schoot zit met mijn poes en er komt een inbreker binnen die mij doodschiet, zit de poes waarschijnlijk binnen vijf minuten bij hem op schoot. Dat is het misleidende, het zijn geen mensenvrienden."

Maar eerst moet Marijnis nog even op de foto. Uiteraard met eigen kat, Toffee geheten. "Ik weet niet of dat lukt hoor. Het is een beetje een schijtertje. Heel misschien komt ze kijken met zo'n gevaarlijke vreemdeling in de kamer." Dat klopt. Zeer behoedzaam komt Toffee de kamer ingegleden, strijkt langs de benen van Marijnis wil dan weer de kamer uit. De schrijver moet haar oppakken en stevig vasthouden om de fotograaf de gelegenheid te geven zijn werk te doen. Doorgaans is het echter de kat die bepaalt wat er gebeurt, zegt Marijnis.

"Vanaf het begin af aan heeft de kat iedereen bij de neus genomen. Zo'n vijfduizend jaar geleden verscheen in Egypte een wild dier ten tonele dat de mens niet aanviel, maar zelfs hielp. Door op muizen te jagen in graansilo's. Dat scheelde aanmerkelijk in de oogst. Na verloop van tijd namen mensen de kat mee naar huis en daar deed het dier het ook. Er ontstond een cultus rond kat. Een farao verklaarde een gegeven moment de katten tot goden. Misschien heeft dat toch gewerkt. Misschien is dat het moment geweest waarna ze door niemand meer tegengehouden konden worden."

"De kat is een soort superras, een supersoort. De kat heeft mens onder de voet gelopen. Welk dier is er nu succesvoller. De neven van de kat, zoals de tijger, zijn bijna uitgeroeid. Over vijftig jaar is er geen tijger meer. De kat is er dan nog wel. Hij houdt zich op in prettig verwarmde huizen en laat het eten achter zijn kont aanbrengen. Als dat niet succesvol is..."

En de mens, die probeert het dier maar te doorgronden. Die probeert bijvoorbeeld te begrijpen wat de geluiden betekenen die het dier voortbrengt. Dat heeft volgens Marijnis misverstanden opgeleverd. "Zo is er een Engels boek waarin zelfs grammatica wordt beschreven inclusief verbuigingen. De schrijfster herleidt poezen zelfs tot het oud-Assyrisch. Ik denk dat ze zich vergist. Die poezentaal is niet de taal van poezen onderling. Het is een taal die zich ontwikkeld heeft als het neger-Engels. De koloniaal die tegen de bediende praat in simpele bewoordingen. Dat doen poezen ook. Met een paar woorden die wij tweebeners min of meer kunnen begrijpen. Met bevelen. 'Ga van mijn bed'. 'Hou je mond'. 'Ik zat hier eerst'. 'Ik wil naar binnen'. Wij gehoorzamen daar in het algemeen aan. Als een kat de deur uit wil, gaat de kat de deur uit. En u doet de deur open."

Nog zo'n misverstand, het wijdverbreide geloof dat een kat in een kamer vol bezoek steevast op schoot gaat zitten bij degene die een hekel heeft aan katten of er bang voor is. "Waar het om gaat is dit: als je geen aandacht aan een kat besteedt, niet naar het dier kijkt en gewoon doorpraat, kan dat gebeuren. Om je even bij de les te krijgen, springt hij dan op je schoot. Dan is hij onmogelijk te negeren."

Eigenwijs, eigenzinnig en superieur dus, de kat. Maar zeker niet ongevoelig. "Waar een kat niet tegen kan is uitgelachen worden. Hebbes deed een keer iets ongelooflijk doms, ik meen dat hij viel. Ik moest daar enorm om lachen. Hij liep de kamer uit met een blik van 'ik krijg jou nog wel klootzak' en heeft me dagenlang gemeden!"

(Herman Joustra in het Leidsch Dagblad van donderdag 20 november 2003)


Op

Marijnis: eigenzinnig literator en sublieme foeteraar

Paul Marijnis (1946-2008), dichter en schrijvere. De schrijver Paul Marijnis laat een klein maar belangwekkend oeuvre na. En zeker ťťn meesterwerk.

De eerste keer dat ik Paul Marijnis ontmoette, was in 1999 in de Schouwburg van Rotterdam bij de uitreiking van de C. Buddingh’-prijs voor het beste poŽziedebuut. Hij was genomineerd voor zijn bundel Gillette, maar ik won. De tweede keer dat ik hem zag was in 2003 in het clubhuis van de golfvereniging van Paasloo bij de uitreiking van de J.C. Bloemprijs voor de beste tweede bundel. Wederom waren we beiden genomineerd. Hij met zijn bundel Roze zoenen. Die keer won hij. Toen bood hij mij een biertje aan. „Zo”, zei hij. „De stand is 1-1.” Het was het begin van een vriendschap.

Het decor van onze ontmoetingen werd Stadslokaal Burgerzaken in Leiden, op schuifelafstand van het idyllische hofje waar hij woonde met zijn kat, de Jongeheer Raffles. Hij zat er vrijwel dagelijks, kettingrokend met zijn elegant messing bebrilde eihoofd en zacht mopperende stem, het bescheiden postuur tijdloos gekleed in ribfluwelen pantalon en bijpassend morsig colbert, zoals de oudere intellectueel betaamt. Want al liepen onze carriŤres min of meer parallel, hij was veel ouder dan ik.

Marijnis debuteerde pas op 47-jarige leeftijd met de roman De zeemeermin en ten tijde van zijn poŽziedebuut was hij 52. Daarvoor had hij een leven geleid als corps-student, journalist en redacteur van deze krant en reiziger naar bizarre oorden als Katmandu, waarover hij de meest ongeloofwaardige verhalen kon vertellen. Wij vonden elkaar in onze afkeer van bijna de hele Nederlandse literatuur. Paul Marijnis was een sublieme foeteraar.

Het muurgedicht in Stadslokaal Burgerzaken ter nagedachtenis aan Paul Marijnis.

Het muurgedicht in Stadslokaal Burgerzaken ter nagedachtenis aan Paul Marijnis.

Hij is nooit beroemd geworden, of, wat hij zelf veel erger vond, nooit op televisie geweest. Hij had het verdiend, want zijn in omvang bescheiden oeuvre is een van de meest eigenzinnige, baldadige, valse en vitale bijdragen aan de literatuur die ik ken. Zijn poŽzie oogt traditioneel. Het zijn verzen van een door de wol geverfde ambachtsman. Maar overal loert een vuiligheidje. Zijn beste werk vind ik de roman De loden schoentjes uit 2006. Het is een schande dat dit boek geen grote prijs heeft gewonnen en zelfs nauwelijks is opgemerkt. In een razende, ziedende, vloekende en verbijsterend jeugdige stijl wordt het verhaal verteld van Mar, die ontsnapt uit een kinderbordeel door het eigenhandig in de fik te steken en samen met het punkmeisje Pacman, haar grote liefde, de wereld naar haar hand zet. Het is een verbijsterend boek. Nietsontziend en toch ontroerend. Een stilistisch meesterwerk. En volslagen uniek.

Woensdag hoorde ik dat hij plotseling was overleden aan de gevolgen van een beroerte. In Stadslokaal Burgerzaken hebben ze donderdag de hele avond tafel twee vrijgehouden, zijn favoriete tafeltje bij het raam met uitzicht op de Breestraat en het stadhuis. Op dat tafeltje brandde een kaars voor hem. Even leek het alsof ik hem zag zitten met een glas witte wijn aangelengd met water (‘bocht’, noemde hij dat), met een boekje van Lewis Carroll of Oscar Wilde achter een volle asbak, mopperend op de wereld en de Nederlandse literatuur in het bijzonder. Ik heb een vriend verloren en de Nederlandse literatuur haar meest eigenzinnige tuchtiger.

(Door Ilja Leonard Pfeijffer in de NRC van 12 april 2008)


Op

Links    :

Op Terug Home Opvolgend muurgedicht