Terug Home Opvolgend muurgedicht

Paul Marijnis , Paul

Marijnis


Dichter: Paul Marijnis, Nederland, 9 september 1946 (Schiedam) - 10 april 2008 (Leiden)
Gedicht: Paul
Locatie: Breestraat 123, Leiden (binnen)
Sinds: 2008
Let op: Dit gedicht maakt geen deel uit van het project van TEGEN-BEELD.


Nederlands
Paul

Nog altijd op mijn nachtbehang: 
chimpansee, kano, Hinderickxs. 
De dichter danst de Charleston. 
De dichter drinkt, de dichter snuift. 
Speelt de Russische roulette, wuift. 
Halfgod. Dandy. Zeer beleefd. 
Hij heeft mijn leven meegeleefd


Op

Gekozen door:

De vrienden van Paul Marijnis, ter nagedachtenis van de dichter met wie zij vaak 's ochtends gezamenlijk koffie dronken in Stadslokaal Burgerzaken Hoewel het gedicht geschreven is door Paul Marijnis en de titel "Paul" heeft gaat het niet over Paul Marijnis zelf. Hij schreef het over Paul van Ostaijen en gebruikte een aantal typerende woorden uit diens gedichten, zoals Hindericks uit het Alpejagerslied voor E. du Perron,  en Charleston uit zowel Oppervlakkige Charleston en Boere-Charleston.
In Leiden is nog een muurgedicht van Paul Marijnis te bewonderen: Zwarte Zwanen


Op

Literaire vaste gasten

"Nog altijd op mijn nachtbehang: chimpansee, kano, Hinderickxs. De dichter danst de Charleston. De dichter drinkt, de dichter snuift. Speelt de Russische roulette, wuift. Halfgod. Dandy. Zeer beleefd. Hij heeft mijn leven meegeleefd." Paul Marijnis (1946 - 2008).

Een gedicht geschreven op de muur. Ter nagedachtenis van de auteur en vaste gast Paul, die kort geleden overleed. Dit laat zien hoe de onderlinge verhouding is tussen Stadslokaal Burgerzaken en haar vaste gasten. "Iedereen is hier welkom. Eten, drinken en praten. In een ongedwongen sfeer. Dat is onze kracht. Gastvrijheid is het allerbelangrijkste in de horeca." Vertelt eigenaresse Marjo.

(Op de site van LeidsLekkers)


Op

Marijnis: eigenzinnig literator en sublieme foeteraar

Paul Marijnis (1946-2008), dichter en schrijvere. De schrijver Paul Marijnis laat een klein maar belangwekkend oeuvre na. En zeker ťťn meesterwerk.

De eerste keer dat ik Paul Marijnis ontmoette, was in 1999 in de Schouwburg van Rotterdam bij de uitreiking van de C. Buddingh’-prijs voor het beste poŽziedebuut. Hij was genomineerd voor zijn bundel Gillette, maar ik won. De tweede keer dat ik hem zag was in 2003 in het clubhuis van de golfvereniging van Paasloo bij de uitreiking van de J.C. Bloemprijs voor de beste tweede bundel. Wederom waren we beiden genomineerd. Hij met zijn bundel Roze zoenen. Die keer won hij. Toen bood hij mij een biertje aan. „Zo”, zei hij. „De stand is 1-1.” Het was het begin van een vriendschap.

Het decor van onze ontmoetingen werd Stadslokaal Burgerzaken in Leiden, op schuifelafstand van het idyllische hofje waar hij woonde met zijn kat, de Jongeheer Raffles. Hij zat er vrijwel dagelijks, kettingrokend met zijn elegant messing bebrilde eihoofd en zacht mopperende stem, het bescheiden postuur tijdloos gekleed in ribfluwelen pantalon en bijpassend morsig colbert, zoals de oudere intellectueel betaamt. Want al liepen onze carriŤres min of meer parallel, hij was veel ouder dan ik.

Marijnis debuteerde pas op 47-jarige leeftijd met de roman De zeemeermin en ten tijde van zijn poŽziedebuut was hij 52. Daarvoor had hij een leven geleid als corps-student, journalist en redacteur van deze krant en reiziger naar bizarre oorden als Katmandu, waarover hij de meest ongeloofwaardige verhalen kon vertellen. Wij vonden elkaar in onze afkeer van bijna de hele Nederlandse literatuur. Paul Marijnis was een sublieme foeteraar.

Paul Marijnis tijdens de gedichtenavond in juni 2005.

Paul Marijnis tijdens de gedichtenavond in juni 2005.

Hij is nooit beroemd geworden, of, wat hij zelf veel erger vond, nooit op televisie geweest. Hij had het verdiend, want zijn in omvang bescheiden oeuvre is een van de meest eigenzinnige, baldadige, valse en vitale bijdragen aan de literatuur die ik ken. Zijn poŽzie oogt traditioneel. Het zijn verzen van een door de wol geverfde ambachtsman. Maar overal loert een vuiligheidje. Zijn beste werk vind ik de roman De loden schoentjes uit 2006. Het is een schande dat dit boek geen grote prijs heeft gewonnen en zelfs nauwelijks is opgemerkt. In een razende, ziedende, vloekende en verbijsterend jeugdige stijl wordt het verhaal verteld van Mar, die ontsnapt uit een kinderbordeel door het eigenhandig in de fik te steken en samen met het punkmeisje Pacman, haar grote liefde, de wereld naar haar hand zet. Het is een verbijsterend boek. Nietsontziend en toch ontroerend. Een stilistisch meesterwerk. En volslagen uniek.

Woensdag hoorde ik dat hij plotseling was overleden aan de gevolgen van een beroerte. In Stadslokaal Burgerzaken hebben ze donderdag de hele avond tafel twee vrijgehouden, zijn favoriete tafeltje bij het raam met uitzicht op de Breestraat en het stadhuis. Op dat tafeltje brandde een kaars voor hem. Even leek het alsof ik hem zag zitten met een glas witte wijn aangelengd met water (‘bocht’, noemde hij dat), met een boekje van Lewis Carroll of Oscar Wilde achter een volle asbak, mopperend op de wereld en de Nederlandse literatuur in het bijzonder. Ik heb een vriend verloren en de Nederlandse literatuur haar meest eigenzinnige tuchtiger.

(Door Ilja Leonard Pfeijffer in de NRC van 12 april 2008)


Op

Links    :

Op Terug Home Opvolgend muurgedicht