Terug Home Opvolgend muurgedicht
Bookmark and Share

Piet Paaltjens , Immortelle IX (2)




Dichter: Piet Paaltjens (pseudoniem van François Haverschmidt), Nederland, 1835 - 1894
Gedicht: Immortelle IX
Locatie: Haagse Schouwweg 14, Leiden
Sinds: 2008
Let op: Dit gedicht maakt geen deel uit van het project van de stichting TEGEN-BEELD.

Nederlands
Immortelle IX

Op `t hoekje van de Hooigracht
En van den Nieuwen Rijn,
Daar zwoer hij, dat hij zijn leven lang
Mijn boezemvriend zou zijn.

En halverwegen tusschen
De Vink en de Haagsche Schouw,
Daar brak hij, zes weken later zoowat,
Den eed van vriendentrouw.

(Immortellen, 1850-1852)


Op


Uitgezocht:

door Van der Valk Hotel Leiden met Restaurant Het Haagsche Schouw bij het voltooien van de nieuwbouw in 2008. De eerste helft van dit gedicht is al sinds 1987 te bewonderen op `t hoekje van de Hooigracht en van den Nieuwen Rijn. En hier op deze site.


Op


Leiden in de poŽzie van Paaltjens

De poŽzie van Paaltjens was oorspronkelijk bedoeld voor de Leidse student. Dat is vooral te merken aan alle verwijzingen naar bestaande personen en plaatsen uit het Leiden van die tijd. In de 'Levensschets' in Snikken en grimlachjes vertelt HaverSchmidt dat Paaltjens in Leiden op de Hogewoerd boven een bidder woont. Het is de 'stads-noodiger ter begrafenis' H.J.P.F. van Ewijk (Van Zonneveld, 1989, p. 73). Een doodbidder wordt ook genoemd in het gedicht  'Immortellen XCVI':

Als ik een bidder zie loopen,
dan slaat mij 't hart zoo blij.
Dan denk ik hoe hij ook weldra
Uit bidden zal gaan voor mij.
(Mathijsen, 2003, p. 28)

Ook vinden we HaverSchmidt zelf, zijn vrienden en de plaatsen waar zij de tijd doorbrachten terug in de gedichten van Paaltjens. In de eerste strofe van 'Immortellen LXXII' wordt Sand genoemd, daarmee werd HaverSchmidts vriend Adriaan van Wessem aangeduid. Met 'de tuin van de sociŽteit' uit dezelfde strofe werd volgens Peter van Zonneveld niet de tuin van sociŽteit Minerva bedoeld. Simpelweg omdat Minerva in de tijd van HaverSchmidt slechts over een piepklein tuintje beschikte. Van Zonneveld vindt het weinig aannemelijk dat het vers zich daar zou afspelen. Hij vermoedt dat 'buitensociŽteit Zomerzorg' de plaats van handeling is. Zomerzorg was een koffiehuis net buiten Leiden en beschikte over een grote tuin. Van Zonneveld denkt dat 'we ons het drankzuchtige viertal uit de Immortelle ook daar moeten voorstellen' (Van Zonneveld, 1981, p. 11) :  

Wij zaten met ons vieren
In den tuin van de societeit.
'Kijk, jongens!' riep SAND, 'wat passeert daar
Een eeuwige knappe meid.' 
(Mathijsen, 2003, p. 25)

In de tweede strofe worden Kaai en Haas genoemd. Kaai was HaverSchmidts vriend Willem van der Kaay - later minister van justitie geworden - en Haas was de bijnaam van HaverSchmidt zelf. Deze bijnaam had HaverSchmidt te danken aan het feit dat hij altijd zeer snel liep.

'Ja,' zei KAAI, 'dat 's een pracht van een meisje!
Zoo zijn er geen twaalf in 't land!'
'Ik hoor,' zuchtte HAAS, 'ze is in stilte
GeŽngageerd met een luitenant.'
(Mathijsen, 2003, p. 25)

Vervolgens wordt in de derde strofe Paal opgevoerd. Dit is uiteraard HaverSchmidts alter ego Piet Paaltjens. Deze krijgt na het horen van de verloving van de 'eeuwige knappe meid' een paar marmerwitte wangen. Daarop keert zelfs na het nuttigen van een 'glas rood' de rozengloed niet terug. 

HaverSchmidts vriend Eelco Verwijs, zelf ook auteur en publicerend onder de naam Eligius van het Oversticht (Eelco uit Overijssel), komen we tegen in het gedicht 'Jan van Zutphens afscheidsmaal' (Colmjon, 1953, p. 216):

Aan het eind van den disch doet Eligius,
Dat sieraad der clerezije
Van 't Oversticht, zich te goede
Aan de tintlende malvezije.
(Mathijsen, 2003, p. 57)

De Leidse middenstand bij Paaltjens
De Leidse middenstand uit de tijd van HaverSchmidt is veelvuldig aanwezig in het gedicht ‘Immortellen LX’. Hierin staat in drie van de vijf strofen een verwijzing naar een Leidse middenstander.
In de eerste strofe duikt kapper Pieter Johannes Knaap op, in die tijd gevestigd in de Breestraat op nummer 118:

Toen KNAAP mij de laatste maal knipte,
Was hij aangedaan onder zijn werk.
“Wat wordt u al grijs!” sprak hij somber,
“ Ik vrees, u studeert te sterk."
(Mathijsen, 2003, p. 24)

De tweede strofe bevat een verwijzing naar de firma Jongmans, die op Breestraat 93 een kleermakerij had:

En JONGMANS, toen hij gistren
De maat voor een pantalon nam,
Keek van mijn magerheid zůů op,
Dat ik dacht, dat hem iets overkwam.
(Mathijsen, 2003, p. 24)

En in de derde strofe treffen we een Duitse restauranthouder aan, Muller, gevestigd op de Breestraat 175. In het restaurant gaat HaverSchmidt regelmatig uit eten met een groep vrienden. Zij noemen zichzelf 'De Leeuwerik', omdat zij na afloop van de maaltijd graag gezamenlijk een lied ten gehore brachten (Van Zonneveld, 1994, p.17).

Vater MULLER ontzei me zijn tafel.
Ze verliep anders helemaal.
Mijn holle kaak deed de lui denken,
Het eten was bij hem zoo schraal.
(Mathijsen, 2003, p. 24)

In het gedicht ‘Immortellen XVI’ verwijst Paaltjens naar Pieter Blaauw, tabakshandelaar en sigarenfabrikant op de Botermarkt:

Zelfs adem ik soms nog flauw
Den geur in van zijn sigaren.
Hij kocht ze gewoonlijk bij BLAAUW.
(Mathijsen, 2003, p.20)

Ook in het gedicht 'De drie studentjes' wordt een Leidse middenstander genoemd, namelijk de wijnhandelaar W.H. Weydung, op de Nieuwe Rijn gevestigd en bij iedere student uit die tijd welbekend:

Eerst om tien uur beloonde wat 'stokouds
En geurigs' van WEYDUNG hun vlijt
(Mathijsen, 2003, p. 61)

Tenslotte, in 'Immortellen IX' noemde Paaltjens twee Leidse straten en twee buiten Leiden gelegen herbergen:

Op 't hoekje van de Hooigracht
En van den Nieuwen Rijn,
Daar zwoer hij, dat hij zijn leven lang
Mijn boezemvriend zou zijn.

En halverwegen tusschen
De Vink en de Haagsche Schouw,
Daar brak hij, zes weken later zoowat,
Den eed van vriendentrouw.  
(Mathijsen, 2003, p. 19) 

Elke Leidse student kende in die tijd de Hooigracht en Nieuwe Rijn in het centrum van Leiden. Ook had menig student wel eens een bezoek gebracht aan De Vink, dat was een herberg in Voorschoten, of aan de herberg vlak buiten Leiden: de Haagsche Schouw. Paaltjens' poŽzie moet voor veel studenten een feest van herkenning zijn geweest.

(website Koninklijke Bibliotheek - Nationale bibliotheek van Nederland)


Op


Links    :

Op Terug Home Opvolgend muurgedicht