Terug Home Opvolgend muurgedicht
Bookmark and Share

William Shakespeare , Sonnet XXX

Shakespeare


Dichter: William Shakespeare, Engeland, 1564 - 1616
Gedicht: Sonnet XXX
Locatie: Rapenburg 30 / Houtstraat 1, Leiden
Sinds: 1992 (nummer 2)
Let op: Dit muursonnet is in 2008 opnieuw aangebracht.

Engels
Sonnet XXX

When to the sessions of sweet silent thought
I summon up remembrance of things past,
I sigh the lack of many a thing I sought,
And with old woes new wail my dear time's waste:   

Then can I drown an eye, unused to flow,
For precious friends hid in death's dateless night, 
And weep afresh love's long since cancell'd woe,
And moan the expense of many a vanish'd sight:

Then can I grieve at grievances foregone,
And heavily from woe to woe tell o'er
The sad account of fore-bemoaned moan,
Which I new pay as if not paid before.

But if the while I think on thee, dear friend,
All losses are restored and sorrows end.

Nederlands
Sonnet XXX

Roep ik ter zitting van gemijmer zoet
Gedachten op aan zaken lang vergaan,
Dan zucht ik diep om wat ik missen moet
En lijd nieuw leed om oude tijd verdaan.

Dan laat ik graag een traan (die niet gauw vloeit)   
Om vrienden in hun doodsnacht zonder tijd,
Beween weer liefde mij al lang ontgroeid,
En treur om schuld door veel vergetelheid.

Dan klaag ik graag om een belegen klacht, 
En tel bedrukt weer neer, van leed tot leed,
De droeve som van wat oud onheil bracht,
Die ’k kwijt alsof ik die niet eerder kweet.

Maar denk ik dan aan jou, mijn liefste vriend,
Zijn tranen weg, verliezen terugverdiend.

(vert. Cornelis W.Schoneveld;uit: Bestorm mijn hart)    
Nederlands
Sonnet XXX

Wanneer ik als schout in eigen hartsgeding
de geest het verleden voorgeleiden laat,
bedroeft mij het gemis, de ontgoocheling,
zie ik oud zeer nieuw, hoe kostbare tijd vergaat.

Het oog verdrinkt dan, dat niet vaak meer schreide,
om dierbare vrienden dood in eeuwige nacht;
verwerkte liefdesmart doet mij weer lijden,
vergankelijkheid van wat ik schoonheid dacht.

Weer ween ik om de weedom die mij wachtte,
en tel zwaarmoedig al mijn tegenspoed;
de droefenis keert weer in mijn gedachten,
weer bloedt het hart, dat eerder heeft geboet.

Maar denk ik, vriendlief, aan ons samenzijn,
dan is het verlies vergoed, verdwijnt de pijn.

(vert. Jan Jonk)

Op

Waar één bal komt, volgen er meer

Sstt, sst. De tweeëntwintig meiden van Rapenburg 30 proppen bij elkaar op twee sjofele driezitsbanken. Dinsdagavond, half tien, tijd voor Sex and the City. Ademloos volgen de bewoonsters van het monumentale witte woonhuis op de hoek van het Rapenburg en de Houtstraat de avonturen van powergirls Carrie, Charlotte, Miranda en Samantha. Eindelijk, de nieuwe serie.

De saamhorigheid van de meiden, die zoveel aandacht hebben voor Sex and the City dat ze hun koffie koud laten worden, is spreekwoordelijk. Alleen twee nieuwelingen houden zich verlegen een beetje achteraf. "Ze kennen onze namen inmiddels", zegt oud-Minerva-preses Sabine Mulder (22, geneeskunde en rechten), die de taak op zich heeft genomen om een rondleiding te verzorgen. "Over een maand weten ze ook hoe onze broertjes, zusjes en vriendjes heten, waar onze ouders wonen en waar we mee bezig zijn."

Officieel heeft het meisjeshuis waar de 22 Minervanen wonen het adres Rapenburg 30. Maar aan die kant heeft het huis niet eens een ingang. Die ligt aan de Houtstraat. Wie door de voordeur binnenstapt, staat meteen in de 'fusie', de huiskamer die het midden houdt tussen een gang en een tochtportaal. Achterin staat de tafel, waar vanavond spaghetti bolognese met stukjes groene paprika en verse tomaten op hei menu staat. Op woensdag en zaterdag eten de meiden graag rijst met gamba's, die zijn goedkoop op de markt te krijgen 'en toch lekker'.[...]

Rapenburg 30 heeft een huiscultuur, die de meiden zelf omschrijven als zorgzaam. Ze letten op elkaar. Wie het huis verlaat, moet op een schoolbord schrijven waar zij heen gaat. 'College' staat er te lezen. 'Hockeytraining, 'ouders Den Haag'. De bewoonsters willen van elkaar weten 'waar' ze mee bezig zijn'. Ze zijn elkaars steun en toeverlaat, zegt Sophie Bremers (22, kunstgeschiedenis). Ze vertellen alles aan elkaar, of liever gezegd, aan één van elkaar. "Dan hoef je niet tweeëntwintig keer 'de klootzak, hij heeft me verlaten' te zeggen", legt Bremers uit. "Wij vinden het niet erg als we dit soort dingen aan elkaar doorvertellen." [...]

Uitzwermen

Het samen wonen in één huis bevalt de Minervanen zo goed, dat ze er na hun studie graag mee doorgaan. De corpsstudenten blijven doorgaans niet in Leiden, omdat het overgrote deel van hen uit rechten- en geneeskundestudenten bestaat. Zij moeten wel uitzwermen, want de vraag naar artsen en juristen is in Leiden gauw vervuld, terwijl ze in het hele land nodig zijn. Volgens de meiden van Rapenburg 30 gaat 'tachtig procent naar Amsterdam en twintig procent naar Den Haag'. Bij voorkeur zoeken twee of drie huisbewoners die tegelijkertijd afstuderen gezamenlijk een etage.' Daar zetten ze de huiscultuur voort totdat ze definitief zijn gespecialiseerd en gaan samenwonen of trouwen.

Voor geneeskundestudenten is het moment van afscheid gekomen als ze co-schappen gaan lopen: „Dan moeten ze gewoon werken" [...] Voor rechtenstudenten is het moment van afscheid minder duidelijk, maar ook zij moeten eruit als ze werken. Er is troost. De meiden van Rapenburg 30 houden reünistendagen voor oud-bewoonsters. En elk jaar is er een galafeest, waarop iedereen die het jaar daarvoor is weggegaan, nog één keer het warme, zorgzame 'huisgevoel' mag ondergaan. "Daarna is het echt afgelopen", zegt Sabine Mulder streng.

(Wilfred Simons in het Leidsch Dagblad van zaterdag 18 oktober 2003)


Op

Links    :

Op Terug Home Opvolgend muurgedicht