Gorters 'Mei' (1998)

De jonge Herman Gorter.

De jonge Herman Gorter.

In 1998 organiseerde de stichting Tegen-Beeld voor het eerst een poëzieavond in de open lucht in het centrum van Leiden. De avond was gewijd aan Gorters Mei, die tussen 's avonds tussen 7 en 12 uur volledig werd voorgelezen. Gorter schreef dit lange gedicht in de periode 1886-1889. Het verscheen in boekvorm in 1889, na een voorpublikatie in De Nieuwe Gids van de eerste van de drie zangen, waaruit Mei bestaat. Dit gedicht heeft Gorter toen en later zijn naam als dichter bezorgd. Het is waarschijnlijk het belangrijkste voorbeeld van poŽzie van het Nederlands impressionisme. Dat Gorter, in hetzelfde jaar waarin Mei verscheen, promoveerde op een proefschrift over de beeldspraak bij de Griekse tragedieschrijver Aeschylus (De interpretatione Aeschyli Metaphorarum) is in het gedicht herkenbaar aan de bijzondere beeldspraak.


Op

Leiden kleumt voor Gorters 'Mei'

Op het koudst van de avond verzucht een vrouw in het publiek of 'die Gorter ook een Juni of Juli heeft gedicht'. Het is even wat minder aangenaam aan de boorden van de Nieuwe Rijn in Leiden. De spreker die op dat moment voorleest uit het beroemde gedicht van Herman Gorter, mist de gave van het woord en op de dekschuit en de terrassen langs de waterkant doet ook de kille, dreigende lucht de aandacht verslappen.

Leiden kleumt op deze dinsdagavond, maar de marathonsessie in de openlucht die 'Mei' heet, wordt afgemaakt en door velen uitgezeten. Met een goed glas wijn, een irish coffee of een dubbele beerenburg luisteren een paar honderd Leidenaars een avond hoe andere Leidenaars het meester- en monsterwerk van Gorter vanaf de Koornbrug in een estafette voordragen. 155 bladzijden, 4481 regels - "en als je de versie die op internet staat downloadt, weet je dat het 11.200 woorden zijn", zegt de spreekstalmeester.

Om kwart over zeven zet Cees Goekoop de voordracht in gang. De burgemeester van de stad, de grootste BourgondiŽr onder de Leidenaars, heeft een stem als een megafoon. De eerste regels van de 'Mei' galmen tussen de oude gevels heen en weer, met de dictie en geaffecteerdheid die Leiden na achttien jaar burgemeesterschap zo vertrouwd is geworden.

Pagina 1 van Gorters 'Mei'.

Pagina 1 van Gorters 'Mei'.

Een nieuwe lente en een nieuw geluid.
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht
In een oud stadje, langs de watergracht.

Halverwege slaat Goekoop een bladzij over, maar onder het publiek wordt zijn voordracht door menigeen in een eigen editie gevolgd. Zij roepen de burgemeester streng terug.

Na Goekoop volgt een keur aan Leidenaars die een pagina of zes voor hun rekening nemen. Een ondernemer klinkt wat te eentonig, de wethouder leest iets te snel, voor de voorman van de marktkooplui is Gorter geen alledaagse kost maar de oud-leraar Nederlands des te meer, bij de onverstaanbare dichter-arts neemt het geroezemoes in het publiek toe ('Harder!') en stijgt de consumptie met sprongen. De gepassioneerde voordracht van een journalist-schrijver is daarna weer een verademing.

De nachtburgemeester van Leiden, de directeur van de bibliotheek, oud-wethouder Cees Waal, PvdA-kamerlid Gerrit-Jan van Oven, een antiquaar, een sterrenkundige - ze lezen het met meer of een enkele keer met minder verve. Hoogtepunt zijn de twee beeldende kunstenaars. Soms klatert de onmogelijke liefde tussen de nimf Mei en de blinde god Balder over de Nieuwe Rijn, af en toe wordt de tragedie overstemd door een plagerige bootje of een haastige pizzabrommer, dan weer draagt het drama verder dan de Leidse milieuverordening (na middernacht) toestaat. Maar niemand denkt, wat een recensent ooit over 'Mei' schreef': 'Gorter, Gorter: korter, korter.'

Net op tijd, om tien voor twaalf, leest schrijver Peter van Zonneveld de laatste strofen, waarin Mei sterft en Juni verschijnt.

Ik groef een graf waar golven komen toe-
Dekken het zand en legde haar daar neer,
Daarover zand.de golven komen weer
En dalen weer met lachen of geschrei.
Daar ligt bedolven mijne kleine Mei.

Leiden heeft iets met poŽzie. Sinds een paar jaar verschijnen met de regelmaat gedichten uit verschillende talen en tijden op de gevels in de stad. Vorige week is de achtenvijftigste op een muur aangebracht, een 'Gorter' natuurlijk. 'Blauw vlamt de lucht'. Het initiatief van de stichting TEGEN-BEELD trekt ook van ver buiten Leiden de aandacht. Japanners zoeken het Rapenburg af naar hun haiku en Ieren informeren bij de VVV waar 'A Coat' van Yeats 'hangt'. Ze gaan door tot de honderd, zegt Ben Walenkamp, de geestelijk vader van de gevelpoŽzie. Ook de voordracht van de 'Mei' komt uit zijn koker. "Ik las in een column van de Iraanse schrijver Kader Abdolah dat hij het gedicht altijd in de binnenzak van zijn jas met zich meedroeg. Dat bracht me op het idee om het hier in het hartje van Leiden als ťťn geheel te laten voorlezen. Ik ben verbaasd dat er zoveel mensen blijven. PoŽzie leeft in deze stad. We moeten dit vaker doen. Wat mij betreft nemen we volgend jaar de sonnetten van Shakespeare, maar dan mogen we wel 's middags beginnen"

(Haro Hielkema in Trouw op 28 mei 1998)


Op Terug Home Opvolgend onderwerp